vrijdag 13 april 2012

Het gemoed schiet vol

 
Daar hebben veel mannen, mensen, van mijn leeftijd last van. Sentimentele scène op televisie – daar gaan we. Afscheid – yes. Weerzien - evenzeer. Iemand wint – een pavlovhondje. Iemand verliest – hetzelfde hondje. Realityshows: ik mijd ze voor mijn eigen bestwil.

Een atleet krijgt een medaille en het volkslied klinkt, van welke natie ook. Een man op de hoogste trede, vlag in top. Op sommige dagen hoef ik het woord volkslied maar te horen en ik wend me af uit piëteit. Jegens mezelf.   

Brian Wilson staat op uit de doden en groet het publiek. Ik loop de kamer uit en mijn levensgezel lacht, terecht. Die stem van Wilson is niet meer wat die geweest is. Ik houd niet eens van de Beach Boys. Het is maar een documentaire.

Het meest gênant is het in groter gezelschap. Een leerling op het podium, hypergeconcentreerd. Bach, Mozart, Debussy. Gaat volgend jaar naar het conservatorium, is eigenlijk al aangenomen. Of naar de Allerhoogste Dansacademie.

Nooit heb ik het als ik een boek lees, geraakt word door een gedicht. In de woonkamer of de concertzaal. Bij officieel toneel. Wanneer ik een dramatische scène op het journaal zie en iemand oprecht zie lijden. Ik heb dierbaren oprecht zien lijden en dat is niet leuk. Ik voelde geen enkele aandrang tot waterlanders.

Huwelijken en begrafenissen zijn de enige momenten in real life dat ik er last van heb. Een rite suggereert verbondenheid tussen de aanwezigen die ook op een begrafenis hun sterfelijkheid nog even overwinnen. Succes hebben, de entropie uitstellen.

Wanneer ik een gedicht lees of schrijf, is het niet anders, maar dan ben ik, zelfs als ik niet alleen ben, alleen. Een individu dat zijn individuele sterfelijkheid uitstelt. Zo is dat: de werkelijkheid is reëel. Het papier waarop het gedicht staat, maakt me tot onderdeel van een communicatieketen, maar er is geen enkele noodzaak om verder mijn emoties mee te delen. De werkelijkheid van het moment is niet geënsceneerd.
                                                                                                               
Ik ben een sociaal dier; er voltrekt zich iets dat sterker is dan ikzelf. Het schokschoudert en vestigt zich in een ooghoek. Een plek op mijn oppervlakte die een ander kan zien en ik kan aanraken – met een klein wit zakdoekje.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen