Informatie over de dichter en zijn werk vind je hier onder het kopje autobio. Daar ook een groot aantal recentere berichten.
Was twee weken lang bijzitter bij mondelingen Nederlands. ‘Bijzitter’: dat woord kenden jullie niet. En hoorde onder meer het volgende:
Leerling over een obsessieve vader: “Tirza was zijn adamsappel.” In zijn antwoorden herhaalt hij het een paar keer.
Leerling over een deugdzaam personage in een roman van Hermans: “Het was een rechts geschapen man.” Hij herhaalt het een paar keer.
Leerling over intertekstualiteit in een roman van Palmen: “Lucifer was een stuk van …. ene Vondel.” De school ligt recht tegenover het Amsterdamse Vondelpark.
Een examinator die gericht is op couleur locale: “Waren het echte Pijpjongens?” Dit naar aanleiding van een roman van Jacob Israël de Haan.
Een examinator kan heel ver gaan: “Waar is God?” Maar op zo'n vraag weet een zeventienjarige het antwoord: God is in de tram. Met dank aan Nescio's Dichtertje.
En verder het menselijk scala in onderwijsverband. Met daaronder hartveroverende, enthousiaste leerlingen die vol vuur vertellen over hun betrokkenheid bij wat ze hebben gelezen. Volgend jaar weer, misschien.
Gisteravond las ik het boek van Anjet Daanje uit. Na 655
bladzijden voelt deze lezer de behoefte om minimaal 655 woorden terug te
schrijven. Ook vanwege Gemengde Gevoelens. Als ik ze nummer, kom ik misschien
tot elf.
1. Daanje is een schrijver die niet te vergelijken is met
wie dan ook in binnen- en, voor zover ik weet, buitenland. Met een
ongelooflijke techniek jaagt ze je door elf levensverhalen heen. Couleur locale
en historische gegevens worden bijna achteloos in de stroom van het verhaal
opgenomen. Haar thematiek is volstrekt onmodieus. Geen coming of age van
eigentijdse personages, maar de grote vragen van leven, samenleven en – vooral –
dood.
2. Elf verhalen die
op de een of andere manier samenhangen met leven en lot van de zusters Brontë.
De buitengewone karakters van de zusters vinden we terug of worden gespiegeld
in de levens van anderen – in negentiende-eeuws Engeland, in de VS, in Frankrijk,
in twintigste-eeuws Engeland, in Nederland. In alle verhalen introverte vrouwen
met een rijk verbeeldingsleven, in bijna alle verhalen symbiotische
zusterrelaties, in alle verhalen het raadsel van de dood en pogingen om het
raadsel te ontsluieren.
3. De karakters en de obsessies van de zusters Brontë vind
je in alle belangrijke personages terug. Excentrieke types dus. Het gevolg voor
mij was dat de Brontës gaandeweg hun uniciteit verloren en daarmee hun
kunstenaarsaura: het schrijverschap werd secundair ten opzichte van de
bijzondere persoonlijkheidskenmerken. Ik vraag me af of het Daanjes bedoeling
was.
4. Daanjes verteltechniek is die van een onzichtbare
auctoriale verteller die moeiteloos overstapt van de beschrijving van
uiterlijk, decors en omstandigheden naar het innerlijk van personages. Alles in
de tegenwoordige tijd en alles weer in één grote stroom. Het merkwaardige
effect is dat de psychologische processen bij de personages daarmee iets
uiterlijks krijgen: iets willekeurigs. Ze zijn van dezelfde orde als het decor.
Je leest door omdat je razend benieuwd bent naar de afloop, niet omdat je je
identificeert of zelfs maar bijzonder veel empathie voelt. Je leest gedachten
alsof je naar een film kijkt: je ziet ze van buiten.
5. Het hele boek heeft iets van een proefopstelling. De
personages zijn constructies. Heel duidelijk wordt dat aan het slot. We zijn
dan in het heden en in Groningen. Het vrouwelijk personage is een briljant
meisje dat als enige tussen veel minder briljante jongens natuurkunde studeert.
Maar ze draagt een bril en is ook verder erg onaantrekkelijk: geen lijf, geen
borsten, niks. Als ze lerares wiskunde wordt, kan ze geen orde houden. Ze lijkt
uitgebroed in een clichéfabriek. Ook in de rest van de roman lijken de
personages hun bestaan vooral te danken te hebben aan zorgvuldig uitgedachte
overeenkomsten en tegenstellingen.
6. Wat in het hele boek ontbreekt, is humor. En dan niet per
se humor om te lachen, maar humor als een soort antwoord op de grote thema’s
die worden aangeroerd.
7. Wat wel te vinden
is in het boek, is poëzie. Tien van de elf hoofdstukken worden voorafgegaan
door een gedicht van Emily Brontë of strofen daarvan. Die gedichten zijn door
Daanje vertaald en ze heeft geprobeerd het rijm te behouden. Gelukkig zijn de
originelen aan het slot van het boek opgenomen. Daar moest ik regelmatig naar
bladeren om er achter te komen wat er in de vertalingen stond. En om iets van
de poëtische kracht te ervaren. Brontë is een groot dichter; ik kende haar
poëzie niet.
8. Parallel aan de roman verscheen een bundeling van Daanjes
vertalingen van Brontë en van eigen gedichten. Op Daanjes website is één lang,
eigen gedicht te vinden. Rijm en metrum zijn matig en de inhoud is
conventioneel. Geen gedichtenwebsite zou het gedicht plaatsen. Heel vreemd
allemaal want in de roman zijn de metaforen vaak verrassend raak.
9. De titel. Op twee derde krijgen we duidelijkheid over de
dromedaris en tegen het slot over de ooievaar. Voor het lied geldt dat minder;
het moet slaan op de roman zelf. Hoe dan ook is de titel niet geslaagd: te
metonymisch en te metaforisch en daarmee te abstract. Daanje heeft weinig
talent voor titels. Haar debuut was
‘Pianomuziek in de regen’: goed voor een deeltje in een romantische reeks.
Daarna kwam ‘De blinde fotograaf’; een titel die Hermans al had gebruikt.
‘Veelvuldig en alleen’, ‘De Mei-jaren’, ‘Delle Weel’. ‘jl.’: het suggereert
weinig tot niks.
10. De conclusie? Komt in 11.
11. Een in alle opzichten eigenzinnig schrijverschap heeft
een boek opgeleverd van Europese allure dat me aan de bladzijden kluisterde en
een existentiële thematiek heeft die je niet vaak tegenkomt. En toch doet het
boek mijn hartje niet sneller kloppen. Door sommige keuzes van de auteur blijft
er een afstand bestaan.
Hoe vernieuw je een traditioneel, in formalisme en
banaliteit afgegleden poëtisch genre? Door je niets aan te trekken van de
formele regels die iedereen als essentieel beschouwt. Iedereen: de
professionals en de amateurs, de critici en de schoolmeesters, de zwaarwichtige
theoretici en de liefhebbers van georganiseerde gezelligheid.
In het begin van de twintigste eeuw was het genre van de
haiku op zijn Japans verbiedermeierd. De flitsen van inzicht waarvoor de
lettergreepstructuur van 5-7-5 zo geschikt was gebleken, hadden plaatsgemaakt
voor aandoenlijke waarnemingen van het alledaagse. Een vrijetijdsbesteding voor
de brave burger die het houvast had van een niet al te ingewikkelde formele
structuur.
Een dichter die daar niets van moest hebben, was Hosai Ozaki
(1885- 1926). Een goed milieu, een mislukte maatschappelijke loopbaan,
alcoholisme, de laatste jaren van zijn leven een kluizenaar bij een
boeddhistische tempel, een vroege dood door pleuritis. Vooral in de laatste
jaren nam hij afstand van de lettergreepstructuur en schreef hij zijn haiku’s
in zo spreektalig mogelijk Japans. Het leidde tot gedichten die je niet anders
dan als eenregelig kunt zien: in het Japans en in elke taal waarin je ze
vertaalt, in het Engels bijv. In 1993 verscheen Right under the big sky, I
don’t wear a hat – ruim honderd pagina’s met eenregelige gedichten.
Er staan zes gedichten op een pagina. Elk gedicht bevat een
intense waarneming. Zeshonderd gedichten, zeshonderd waarnemingen. Hoe lees je
zoiets? Elke waarneming proevend, overwegend, instemmend knikkend, op het eigen
bestaan betrekkend? Lezend zoals je serieuze poëzie geacht wordt te lezen?
Nee dus. Het lijkt alsof juist dit soort gedichten, met
alleen maar waarnemingen of sensaties, in een pre-logisch domein blijft steken.
Dat er intens waargenomen wordt, is belangrijk, maar het eenregelig ritme leidt
tegelijkertijd tot iets roesachtigs. Poëtische techno: alles wat brave
schrijversvakschoolpoëzie waarin iets wordt ‘onderzocht’ niet is. In Gorters
late bundel In memoriam zag ik eenzelfde effect; het was de reden om die
bundel opnieuw uit te geven. En ik zag het in een boekje dat een maand geleden
uitkwam.
In 2009 vertaalde ik een aantal gedichten van Hosei Ozaka,
de dichter aan wie ik gisteren een postje wijdde. De vertalingen verschenen in
blue-turns-grey, een digitaal tijdschrift met het aura van hippe vooruitgang
waarvan inmiddels op het hele internet geen spoor meer is te vinden.
Wanneer ik mijn zolen was worden ze wit
Deze vuurvlieg licht niet op, hij is hard geworden
De grote den laat ik aan de mussen, deze hut is van mij
Er is wat van de zee te zien, ik heb een klein raam
Ha, daar is mijn gezicht weer, ik heb een spiegeltje gekocht en ben naar huis gegaan
Zo ver weg dat ik de golven niet kan horen: de blauwe zee
Woest zoemen ’s nachts de muggen rond dat ene magere lichaam
Een libelle was zo aardig om neer te strijken op mijn
schrijftafel
Vier of vijf mensen zijn rustig aan het werk, de zoutpan wordt donker
’s Avonds laat bloem gemorst op de stromat
Het is nat rond de waterput, een avondwindje
Door ratten aangevreten aardappels terwijl ik lag te slapen
Nadat ik de berg beklommen heb zie ik het hele eenzame dorp
Ze weet niet wat ze moet doen met haar mooie haar
Niet nodig om elke ochtend te vegen, alleen wat dennennaalden
Ik weet niet of ik deze vijftien regels, deze vijftien
gedichten nog precies zo zou vertalen. En voor alle duidelijkheid: ik vertaalde
ze niet uit het Japans, maar uit het Engels van Hiroaki Sato. Right under the
big sky, I don’t wear a hat verscheen in 1993 bij Stone Bridge Press,
Berkeley, California en de mooie uitgave
is opgedragen aan een dichter – een beroemde dichter, John Ashbery. Zonder
diens inspanningen zou de uitgave niet tot stand zijn gekomen. Het boekje
oefende invloed uit op Ashbery, die zelf eenregelige haiku’s ging schrijven, en
op een dichter die ik niet snel met Ashbery in verband zou brengen, Allen
Ginsberg. Ook hij schreef op een gegeven moment eenregelige haiku’s. Het
aaneenschakelen van waarnemingen: dat hebben de langere gedichten vol
suggestieve allusies van Ashbery en vol
expliciete retoriek van Ginsberg misschien gemeen.
Wolfram Swets, de auteur van Een graf van honing, heb ik
een keer kort gesproken bij een boekpresentatie en verder ken ik hem van
Facebook, waar hij regelmatig verslag doet van zijn avonturen in de
allerhoogste kringen van Amerikaanse avant-gardedichters. Brave huiselijkheid
soms en soms dagenlange drinkgelagen. Eén dichter is zo beroemd dat hij alleen
maar met zijn initialen wordt aangeduid: JA. ‘Dagboekbladen 1997-2008’ luidt de
ondertitel van Een graf van honing – de Amerikaanse jaren van de auteur, als
ik het goed heb. Hoe belangrijk de Japans-Amerikaanse connectie was voor de
totstandkoming weet ik niet, maar dit is een boekje in een genre dat voor
Nederland behoorlijk uniek is. Ik lees de eenregelige dagboekbladen zoals ik
eenregelige poëzie lees.
Gisteren vijftien eenregelige gedichten van Hosai Ozaki,
vandaag vijftien eenregelige dagboekbladen uit Een graf van honing van
Wolfram Swets. Deze vijftien vullen bijna een bladzijde in een boekje met 43
bladzijden tekst: tussen de 600 en 700 regels/dagboekbladen/gedichten.
Is elke regel interessant? Nee, niet bij de oude Japanner en
niet bij Swets. Waar het om gaat, is een totaaleffect – het totaaleffect dat de
lectuur van zo’n boekje in ieder geval bij mij heeft. Elke regel bevat een
waarneming met een klein vervreemdingseffect – en als hij dat effect niet zou
hebben, krijgt hij het tussen al die regels waarin het wel is te vinden. Een
voorbeeld van het eerste is de eerste regel, met de verbaasde waarneming van
een eigen gedachte; een voorbeeld van het tweede de regel met het
tandenwisselende kind. Niets normaler dan een tandenwisselend kind dat lacht;
dat doen kinderen nu eenmaal. Louter door de presentatie hier wordt het normale
iets bijzonders en gaat het tanden wisselen voor iets staan waarvoor een diepe
denker grote woorden gebruikt. Het is een effect van echte, goede haikuachtige
poëzie.
Maar dat ga ik niet beredeneren bij die al 600-700
regels/dagboekbladen/ gedichten. Juist niet. Het is ook belangrijk dat het niet
gebeurt. Het eenregelig ritme van vervreemdende waarnemingen die ik snel lees,
heel snel zelfs, zorgt voor – ja, voor wat? Poëtische techno, schreef ik
eerder, maar dat is te makkelijk. Iets trance-achtigs, maar dan bij volle
bewustzijn. Meer dan dat: een net iets helderder bewustzijn. De lezer raakt in
een flow van hyperbewustzijn, zou ik schrijven als ik wist wat het betekende.
Maar het gaat om een essentie van het lezen van poëzie: de ervaring van het
samengaan van ritme en betekenis. En dat doet dan iets.
Van beroemde mensen denken dat ze ook lang zijn, groot zijn.
Werkelijk bedroefd als de gasten weg zijn. Snel de sporen uitwissen.
Als op het station een andere bus naast de onze komt te staan, wend ik mijn gezicht af.
Op de deurmat heeft zich wat mos gevestigd.
Het tandenwisselende kind lacht.
Hij las de krant elke dag bij de kapper, om zo geld uit te sparen.
De moeder vraagt de vader om de kinderen tot de orde te roepen.
Nu de klok een uur achteruit moet worden gezet, loopt de klok in de keuken weer gelijk.
Pas aan de geur merken dat het gras is gemaaid.
Ik vang krekels. Ze zijn een treat voor de katten.
De serveerster, die slechts een blik nodig heeft.
Iets wat ik angstloos doe, totdat men mij op de niet geringe gevaren wijst.
Boos, roep ik bijna in het Nederlands.
Als we met de auto de bocht omgaan, lijkt het paard dat aan de rand van de wei staat, midden op de weg te staan, en ik schrik.
Verrassend: lelijk en toch zelfverzekerd overkomend.
(In drie delen verschenen op Facebook)
Las hedenochtend De vergaderzaal van Alberts. Of eigenlijk herlas: ik moet het boekje meer dan dertig jaar geleden gelezen hebben, maar ik herinnerde me er weinig meer van. Vaag iets over de thematiek, nog vager iets van een sfeer.
Waar ik me wel iets van herinnerde
was de televisiebewerking. Het beeld van een lange man in een vergaderzaal met
mannen om hem heen en wat het slotbeeld geweest moet zijn: na zijn periode van
afwezigheid zien de mannen vanaf de eerste verdieping meneer Dalem uit de tram
stappen om het pand weer te betreden – het pand met de vergaderzaal. Als hij
omhoog kijkt, deinzen ze collectief terug. Maar wat ik me vooral van die
televisiebewerking herinnerde was de traagheid – die typische traagheid van
Nederlandse televisiebewerkingen van toen. Veelzeggende stiltes tijdens, voor
en na conversaties moesten psychologische diepgang suggereren. Aan alles merkte
je dat over close-ups, beeldwisselingen enzovoorts enzoverder lang was nagedacht.
De dramatiek moest voortkomen uit de esthetiek: de esthetiek van die
wereldberoemde Nederlandse documentaires.
Maar als je De vergaderzaal
leest is er van traagheid geen sprake – integendeel zelfs. Meneer Dalems
desintegratie voltrekt zich in op zijn hoogst een half etmaal en de lezer die
ik ben maakte dat razendsnel mee: in een leesroes die ik alleen onderbrak om af
en toe even om me heen te kijken. Visueel naar adem happen. Alberts vertelt dit
verhaal afstandelijk – we lezen over gebeurtenissen, conversaties en
hallucinaties; er wordt ons geen enkele emotie meegedeeld. Maar er zit vooral een
onontkoombaar ritme in het verhaal. Korte zinnen – korter dan in De honden
jagen niet meer dat ik een paar maanden geleden las. Veel herhalingen vooral:
op de eerste vier pagina’s staat exact veertig keer ‘zei’ gevolgd door een
achternaam. Als er niet letterlijk wordt herhaald, wordt de zinsstructuur
herhaald: een eenvoudige zinsstructuur. Een willekeurige pagina, p. 37: hij
sloeg, hij dacht, hij liep, hij zag, hij keek, zei meneer Dalem, hij zag, hij
ging, riep mijnheer Dalem, riep de fietser, riep meneer Dalem, hij liep, hij
zag, hij deed, hij zag, riep meneer Dalem, hij dacht, hij liep, hij kwam, hij
dacht, hij vond, hij liep. En zo’n pagina is niet dichtbedrukt.
Dat alles bewerkt bij mij dus een heuse leesroes. Daarvoor is ritme nodig, maar ook een inhoud die ertoe doet – juist die inhoud is nodig. En dan maakt het verder niet uit: eindeloos gepsychologiseer, eindeloze mythomanieën, eindeloos geneuzel. Eindeloze zinnen of juist de hele korte zinnen van Alberts. Als ik, de lezer dus, maar meegevoerd word in een hallucinatie die iets te vertellen heeft.
Las, op de tropische haciënda, in twee dagen het briljante proefschrift van Edwin Praat over Gerard Reve. Ik geloof niet dat ik ooit een
met zoveel vaart en jeu geschreven officiële bijdrage aan de neerlandistiek
gelezen heb - en dat niet alleen omdat het onderwerp daar een handje bij helpt.
Juist ingewikkelde sociologische theorieën zet Praat heel helder uiteen en hij
maakt minstens zo helder duidelijk waar het in die theorieën aan schort. Bijna
hetzelfde geldt voor narratologische concepten - bijna hetzelfde, maar dat kan
aan mij liggen. Praats stijl maakt dat je door wilt lezen in plaats van
gedeeltes overlezen om eventueel alsnog iets te snappen.
Praat heeft Bourdieus kunstsociologie nodig om te laten zien
hoe Reve vanaf het eind van de jaren zestig spot met de regels van de kunst.
Hij proclameert zich dan nadrukkelijk als een schrijver met een winkel en neemt
afstand van het onmaatschappelijke, bohemienachtige dat de kunstenaar aan zou
moeten kleven in zijn belangeloze scheppingsdrang waarin het alleen maar gaat
om kunst. Het model Van Gogh, zeg maar. Omdat Reve vanaf het eind van de jaren zeventig
in zijn boeken een personage ‘Reve’ bij elkaar fabuleert waarin fictie en
werkelijkheid onontwarbaar door elkaar lopen, heeft Praat de narratologie
nodig. Aan wie of wat moet je bijv. de racistische uitspraken van het personage
toeschrijven? Aan het personage dat zich ook laat kennen in interviews? Maar
ook in die interviews stuit je op een oprechte mythomaan.
Het model Van Gogh en – in de Nederlandse literatuur – het
model Kloos. Ik zou wel eens een studie willen lezen waarin Couperus langs
Bourdieus meetlat werd gelegd: een schrijver die er al schrijvend een
behoorlijk luxueuze levensstijl op nahield en heel wat personages schiep met
kunstenaarspretenties. Of neem de verheven symbolistische dichter Boutens aan
wie de verheven symbolistische dichter Leopold zich ergerde omdat hij het bij
een uitgave van zijn – Leopolds – bundel had over geld.
Meer dan driehonderd pagina’s in twee dagen. Online, een
oude laptop en een rechte houten stoel. Hoofd, nek, zitvlak en nog zo het een
en ander. Voor de wetenschap moet men lijden.
‘Uw inleiding is me uit het hart gegrepen,’ schrijft een sinoloog. De neerlandicus is er blij mee. Een japanoloog stuurde me vandaag een mail en prijst de prettig leesbare versies van gedichten die hij al dertig jaar kent. Yo!
Wat beleeft een lezer die een gedicht leest in een taal waarvan de grammaticale structuren fundamenteel verschillen van die in zijn moedertaal? Wat is je plezier als je tijdens het lezen nooit in een ‘flow’ raakt, maar altijd de inwendige vertaalmachine aan moet zetten? Wat daalt er neer in je bewustzijn? Het zijn vragen die me scherp voor ogen kwamen toen ik me realiseerde dat ook heel goede classici Griekse teksten niet woord voor woord, maar wel zin voor zin vertalen – als ze die voor hun plezier lezen dus. Het waren vooral vragen die me goed uitkwamen toen ik gedichten ging vertalen uit een taal die ik niet ken: Chinees. Vreemde Chinese gedichten – voor een publiek van Japanse toehoorders. Een vorm van Chinees was in Japan lange tijd een hoftaal, een liturgische taal en een literaire taal. Japans verschilt meer van het Chinees dan het Nederlands van het Albanees – Japans is om te beginnen geen toontaal. Wat gebeurde er bij een doorsnee Japanner als hij een monnik een Chinees gedicht hoorde reciteren? Maakte hij niet meteen in zijn hoofd een ‘prettig leesbare versie’? Alle eigenschappen van het Chinese gedicht: verdwenen ze niet meteen als de betekenis van het gedicht tot hem doordrong? Is een ‘prettig leesbare versie’ niet het enige dat een vertaler van poëzie kan ambiëren als hij vertaalt uit een taal waarin alles anders is: grammaticale patronen, de woordvolgorde, de manier waarop je kunt rijmen, tonen die aan esthetische principes moeten voldoen, enz. enz. Wat is de hoogst haalbare vorm van authenticiteit?
Ik denk niet elke dag aan Riekus Waskowsky, maar gisteren
wel. Toen las ik dit gedicht van Raymond Queneau:
Ars poetica (vervolg)
De vertaling is van Martin de Haan en ik vond die in De moderne Franse poëzie, een door Guus Luijters samengestelde bloemlezing uit 2002.
Ik dacht natuurlijk aan dit gedicht van Waskowsky:
Aars poetica
(She got ev’rything she needs
she’s an artist, she don’t look back)
Dylan in de pan, maar ook Queneau? Waskowksy was niet alleen Rotterdammer maar ook, wat er verder over hem te vertellen valt, zeer belezen. Hij vertaalde Neruda en beheerste ongetwijfeld het Frans. Queneaus gedicht uit 1958 werd al snel een bekend gedicht, Waskowky’s gedicht is te vinden in een bundel uit 1970. Het is het enige gedicht uit die laatste jaren dat je wel eens tegenkomt – ik googelde wat en las dat van Waskowksy’s creatieve vermogens toen niet veel meer over was. Het koken lukte niet zo goed meer.
Het gedicht dankt zijn faam aan
het informele taalgebruik en aan zijn verrassende metafoor. Maar wat als ook
die metafoor is ontleend? Een gebrek aan originaliteit dat juist daardoor de
impasse illustreert? En wat doen die twee regels van Dylan eigenlijk?
‘Bewijzen’ ze het pleuren en niet meer dan dat?
Waarom is het zo belangrijk voor een kunstenaar om niet terug te kijken?
Van ars tot aars: er wordt iets
geproduceerd, verteerd en dan wordt er weer iets geproduceerd. Zo lang dat maar
gebeurt – blijkbaar.
Hem was opgevallen dat ik het woordje 'ik' vaak tussen
aanhalingstekens zet - vooral het 'ik' van de hoofdpersonages in dit boekje: 36
zenboeddhistische monniken. Terecht vond
hij: de notie van een 'ik' is een ingewikkelde in Japan. Zijn Japanse vrienden kijken
altijd heel moeilijk als ze het woordje 'ik' willen gebruiken.
Dat het Japans geen persoonlijk voornaamwoorden kent, wist
ik. Maar ik geloof dat ik die aanhalingstekens nogal intuïtief heb
geplaatst. Het gaat in de gedichten die
ik vertaalde om het verdwijnen van het 'ik' op een zeer specifiek moment - het
moment waarop niet alleen bij een Japanner elk 'ik' verdwijnt.
Cultuurfilosofen van de grote greep noemen de Japanse
cultuur wel eens een doodscultuur. De verheerlijking van het efemere! Kersenbloesems!
Harakiri! Enzovoorts. Enzoverder. Het individu dat, ook als het springlevend is
en helemaal niet dood wil, opgaat in een totaliteit! Aan de collectiviteit
dankt het zijn identiteit!
Ik ben altijd wat sceptisch tegenover dit soort
veralgemeniseringen - kom op, zeg: de wereld bestaat uit individuen. Loop een
uur rond in een Aziatische stad en je ziet het. Zoveel gezichten, zoveel
persoonlijkheden. Een westerse gedachte? Hoe zit het - niet alleen taalkundig -
echt met de eerste persoon enkelvoud?
Het handschrift van een bewonderd dichter, in een intiem
document zelfs. De aanraakbaarheid kan niet groter zijn. Ruim baan voor de
historische sensatie zou je zeggen, maar het deed en doet me – niets. Daar was
ik niet verbaasd over. Ik ben vaak met historici in musea geweest en als zij
met een trilling in hun stem leerlingen op wat dan ook wijzen, ervaar ik op zijn hoogst een intellectuele interesse.
Handtekeningen van bewonderde dichters in een van hun bundels: bij de
gretigheid waarmee sommigen die najagen, kan ik me niets voorstellen. Zelf een
handtekening zetten, liefst met een persoonlijke opdracht: ik heb er een
bloedhekel aan en verschuil me achter mijn beroerde handschrift.
Waar komt het vandaan? Gerrit Krol heeft eens een stukje
geschreven waarin hij vaststelde dat hij boeken met een voorgedrukte opdracht –
Aan Ada, To Guy who suffered – weglegde. ‘Zo’n boek is niet voor mij.’ Dat kan
het niet zijn: een boek met een met de hand geschreven opdracht is juist wel
voor jou: ‘voor Gerrit.’ Op de een of
andere manier vind ik, geloof ik, dat ook zo’n persoonlijke opdracht afbreuk
doet aan een boek: het boek is voor jou, maar niet alleen voor jou. De bundel In
memoriam lees ik niet omdat hij geschreven is door het toevallige individu
Herman Gorter met een individueel handschrift en andere eigenaardigheden, maar
omdat hij me hier en nu iets te zeggen heeft – losgekoppeld van die mijnheer
die ooit ergens leefde.
Ahistorisch zoals sommigen aseksueel zijn. Misschien moet het syndroom van De Jager gewoon op de lijst van mental diseases.
We wonen op het platteland, dertig kilometer van de vijfde
of zesde stad van het land, Udon Thani. Die stad dankt zijn bestaan aan de
Vietnamoorlog: de Amerikanen richtten een enorme basis in en van het een kwam
het ander. Onder meer een flinke Vietnamese gemeenschap - de reden waarom je
hier een grote katholieke kerk hebt en een katholieke school. Maar de meeste
Vietnamezen zijn boeddhistisch en dat zie je goed op de Vietnamese
begraafplaats die toevallig op een half uur lopen van ons huis ligt. Sommige
graven hebben iets katholieks en iets boeddhistisch. Er ligt ook een jongetje.
Het symbool dat hem eert of in herinnering moet roepen: in Vlaanderen denkbaar?
Dat postte ik op Facebook en het antwoord is ‘nee’. Toen dat antwoord gegeven was, moest ik zo nodig de diepte in:
Ik heb de laatste weken veel Heidegger gelezen. Ik ben bang
dat hij hier een hoop 'vergetelheid' op zou loslaten. Zijnsvergetelheid,
betekenisvergetelheid misschien. Die laatste term gebruikt hij niet, maar als
je toch aan het Heideggeren bent... Ik moest vooral denken aan westerlingen die
een Boeddha laten tatoeëren, het liefst op hun rug. Daar drukken ze ook iets
mee uit, maar het wordt hier als onvoorstelbare heiligschennis gezien. Een
beeldenpotpourri die je misschien als 'postmodern' zou kunnen kenschetsen, behalve
dat ik het lastig vind om het idee van authenticiteit op te geven: de
authenticiteit van rouwende ouders bijvoorbeeld.
Hoe komt een beeld uit Brussel terecht in de Thaise provincie? Iemand suggereerde om historisch onderzoek te doen.
Ik weet niet of dat nodig is. Ik denk dat Manneken een
fenomeen is in het internationaal geheugen: een iconisch beeld van het soort
dat Andy Warhol graag gebruikte voor zijn zeefdrukken. Wat mij intrigeert is de
contextloosheid die zo'n beeld krijgt en dan de betekenis die het wordt
toegekend in een totaal nieuwe context - door de individuele gebruiker vooral.
Een toegeëigend beeld dat drager wordt van een emotie. En, hier in
Zuidoost-Azië, ook altijd van status. Het is geen pissend jongetje uit Brussel
meer, maar iets heel, heel anders.
Maar wordt misschien vervolgd. Er zijn meer vreemde dingen
te zien op deze begraafplaats.
Het vervolg kwam snel. Een geboortige Brusselaar kon zich moeilijk voorstellen dat het beeldje in de Stoofstraat zo'n internationaal fenomeen was geworden.
Manneken heeft, leert Google me, een internationale carrière
gemaakt als tuinbeeld. Zo zal het ook hier terecht zijn gekomen. Ik vermoed dat
het een archetypisch beeld is geworden van een jongetje en dat het in de
Stoofstraat zo aanwezige plassen is eh... ondergesneeuwd. Het beeld staat hier
weliswaar in duplo, maar er stroomt niks. Wat de semiotiek betreft denk ik
inderdaad dat je niet verder komt dan de vaststelling dát het een nieuwe
betekenis heeft gekregen. De vervreemding doet zich waarschijnlijk alleen voor
bij iemand als ik, die de oorspronkelijke context kent.
(Oud, op Facebook gepubliceerd stukje; omdat er weer een nieuwe bundel van Benders aankomt)
Hoe helder kan poëzie zijn:
Het zijn vier regels die een bladzij vullen in de nieuwe,
tiende of elfde bundel van Martijn Benders: De p van winterslaap/ Baah baaah
krakschaap. Veel wit dus, maar dit is nog niks: er zijn bladzijden met twee regels en bladzijden met één regel:
O nachtspazzie van de kriekskes
onhou spook er het licht
Ruimtelijk. In het doodhuidige nu.
De ene regel kan dan ook nog uit één woord met één leesteken
bestaan:
Nulde?
Ergens in de bundel staat tien keer de letter v met verder een bladzijvullende I - voor zover dat
bij een I mogelijk is; op de bladzijde ertegenover staat een even grote A. Weer ergens anders staan nog een keer woorden
op twee bladzijden: DoodSom en Dobbersom. Het verschil is dat die twee woorden op die bladzijden zo'n twintig keer zijn afgedrukt.
'Ergens', 'ergens anders', 'de bundel': als er de laatste
jaren één bundel verschenen is waarin de dichter aan alles laat merken dat hij
lak heeft aan traditionele categorieën dan is dat Baah baaah krakschaap/ De P
van winterslaap. Op een heel primair niveau al: de bundel bestaat uit zo'n
tachtig pagina's, maar kent geen inhoudsopgave en paginanummers. Hij heeft twee
voorkanten met elk een eigen titel die de suggestie wekken dat er eigenlijk
sprake is van twee bundels. Maar in het midden ontmoeten de bundels elkaar: in
een cirkel, een draaikolk van woorden die we voor het grootste gedeelte eerder
zijn tegengekomen. Het wit dat in de bundel zo'n prominente rol speelt, vinden
we nu ook in het midden. Wat lezen we
eigenlijk? Twee bundels, één bundel, twee lange gedichten, één lang gedicht?
Het valt allemaal te beredeneren.
Negen bladzijden uit de bundel heb ik integraal geciteerd.
In die tweeëndertig woorden vinden we gewoon Nederlands, Brabants dialect en
neologismen - vooral 'doodhuidige' vind ik mooi; 'dobbersom' is ook niet mis.
De bundel verscheen een half jaar geleden en in de - weinige - kritieken die er
zijn verschenen, komen drie recensenten niet verder dan het eerste gedicht. Ze
blijven steken bij woorden als 'oelestelle' en 'keroeffer', trekken
vergelijkingen met Gorter, Hanlo en Van Ostaijen en stellen vast dat Benders
aan hun experimenten niets weet toe te voegen. Benders heeft ook zijn apologeten;
bij hen vallen zonder veel analyse kwalificaties als 'taalmagie'. Al die
recensies verschenen op websites; een serieuze bespreking op papier ben ik nog
niet tegengekomen.
Ik vind De p van winterslaap/ Baah baaah krakschaap de meest
bijzondere bundel die ik de afgelopen tijd gelezen heb. Dat komt door de manier
waarop Benders gebruik maakt van alle poëtische middelen die er maar zijn -
alles wat maar denkbaar is op het gebied van klank en typografie. De bundel is
één grote vervoeging van de p van poëzie: taalmagie, inderdaad. Maar voor
Benders, die zich op zijn website laat kennen als bewonderaar van bloedserieuze
Oost-Europese dichters als Milosz, is de poëzie ook een middel om iets over te
brengen - iets wat alleen op de manier
van poëzie kan worden overgebracht. Een verhaal dat misschien niet helemaal een
verhaal is; een levensvisie waarvoor begrippen uit het arsenaal van de filosofie
te groot en te grof zijn. De p van
winterslaap - wat komt daar eigenlijk na?
(6 oktober 2019)
"De fragmenten bezitten uit zichzelf een – onbedoelde – suggestiviteit. Door de aandacht van de dichteres voor het concreet-zintuiglijke hebben deze impressies, etsen, snapshots, miniaturen of hoe men ze ook noemen wil iets van de vluchtige, bloesemachtige schoonheid van haikoes.”
Dat schrijft Paul Claes in het nawoord van zijn vertaling van de gedichten van Sappho. En gelijk heeft hij. Neem deze beroemde regels:‘Leefde’ staat er. Deze Japanse tanka (5-7-5-7-7 lettergrepen) is een doodsgedicht. Japanse dichters, Japanse monniken probeerden hun leven samen te vatten in een gedicht dat ze soms al jaren voor het ultieme moment schreven om het vlak vóór dat ultieme moment te laten horen aan vrienden, bekenden, volgelingen.
Ki was een beroemde dichter. Tijdens zijn leven: was hij er wel of was hij er niet? Was de weerkaatsing er wel of niet? En met die weerkaatsing: maan, het water waaruit de weerkaatsing geschept wordt, mijn hand, ikzelf, alles... Is dat er nu wel of is dat er niet? Alles spiegelt in dit gedicht: het bestaat en het bestaat niet. Lof van de schaduw is de titel van een beroemd essay van Tanizaki, een twintigste-eeuwer. Schaduw, ook een fenomeen dat bestaat en niet bestaat. Naar zo’n gedicht kun je cultuurhistorisch kijken en dan iets beweren over een typisch Japanse mentaliteit – dat doet Tanizaki - , je kunt er existentiefilosofisch naar kijken en dan iets beweren over het bewustzijn van de dood in het leven, je kunt het interpreteren als een verwoording van een levensgevoel – Ki voelde zich nooit helemaal thuis in de wereld, je kunt het interpreteren als een vluchtige ervaring van vergankelijkheid die ook iets moois heeft. Daarmee ben ik weer terug bij Tanizaki, geloof ik, maar dan net iets universeler.
De fraaie vertaling is van J. van Tooren en is te vinden in de door haar samengestelde bloemlezing Tanka, het lied van Japan, Amsterdam 1983.
Marijnissen en Idema vertalen een gedicht van Yang Wanli (1127-1206).
Een zeer beroemd Chinees gedicht van rond het jaar 800 is dit gedicht van Liu Zongyuan:
Las vandaag het aller-, allerlaatste in het Nederlands
vertaalde boek van Peter Handke dat ik nog niet gelezen had. Niet het recent
verschenen Het tweede zwaard, maar Het uur van het ware gevoel - alleen al om
de titel een boek om tot het laatst te bewaren. Een titel bovendien die een
oeuvre samenvat. Een van zijn omgeving vervreemde man, hevig introvert, wandelt
zich een ongeluk: hier in het centrum van Parijs, later vaak in anonieme
buitenwijken van Parijs, maar ook in Spanje, Oostenrijk, de Balkan. Op een
gegeven moment voltrekt zich het uur van het ware gevoel en gaat de man weer
een verbinding aan met zijn omgeving. (Verbinding, liefde: waar heb ik dat
vaker gehoord.) Het uur van het ware gevoel sluit Handkes eerste periode min of
meer af: veel scherpe, onverwachte observaties in een precieze stijl. In zijn
tweede periode, zijn middenperiode die me het meest aanspreekt, is die stijl
hoogdravend en lyrisch. Zo hoogdravend en lyrisch dat het soms ook weer
humoristisch wordt - iets wat volgens mij niet vaak met Handke in verband wordt
gebracht. Als ik een Jonge Ambitieuze Germanist was, zou ik vast de wereld
veroveren met Handke's humor: een boek van 550 dikbedrukte pagina's. Zet de
leerstoel maar klaar.
Maar dat hoeft gelukkig niet. 33 titels van Handke zijn in
het Nederlands vertaald, zo'n veertig procent van het oeuvre, schat ik. Vóór de
Nobelprijs was alles ruimschoots aanwezig op Boekwinkeltjes, nu is het aanbod
schaarser. Ik heb één onverwachte geestverwant: ook Kader Abdolah leest alles
van Handke. Voor een paar sleutelteksten, Über die Dorfer en Ich bin ein
Bewohner des Elfenbeinturms, zal ik toch echt aan het Duits moeten. Verdammt
doch mal.