woensdag 30 april 2014
Oude jazz
Over Hans Verhagen (2)
In 2003 verschenen Verhagens verzamelde gedichten onder de titel Eeuwige vlam - met daarin de tweede versie van het openingsgedicht uit Sterren cirkels bellen die ik eerder citeerde -, werd er een tentoonstelling gewijd aan zijn werk in het Letterkundig Museum en kwam er onder de titel Tegen alle bloedvergieten en kanariepieten in een Schrijversprentenboek uit waaraan moderne grootheden als Jan Mulder en Ilja Pfeijffer meewerkten. Na twee decennia waarin van Verhagens reputatie niet veel meer over leek te zijn, was dat een wonderbaarlijke wederopstanding.
Het was vooral de dichter zelf die opstond. Niet direct met Kouwe voeten dat na een pauze van twaalf jaar verscheen in 1983 en ook niet met Autoriteit van de emotie uit 1992 - beide bundels werden matig ontvangen. Het veranderde pas echt met Echoput & luchtkasteel uit 1995. In 2000 verscheen Triomfantelijke wandelingen, in 2002 Quasi-kamikaze: niet alleen een dichter leek weer in zijn dichterschap te geloven, maar dat deden ook een uitgever die zijn werk liefdevol uitgaf en spraakmakende critici als Pfeijffer en Gerbrandy. De goegemeente geloofde met hen mee.
Tegen alle bloedvergieten en kanariepieten in gaat vergezeld van een dvd met fraaie fragmenten uit Het gat van Nederland - het legendarische VPRO-programma dat onder redactie van Hans Keller de buitenissigheid van het vaderland registreerde, twee seizoenen werd uitgezonden, met de Nipkowschijf werd bekroond en de standaard zette voor een VPRO-documentairestijl die het decennia heeft uitgehouden. Trage camerabewegingen nemen een omgeving op, een interieur en een personage. Onderwerp en personage worden geïntroduceerd door een bronzen stem - die van Hans Keller of Jan Blokker. Na verloop van tijd begint het personage zelf te spreken. Pauzes, stiltes, sfeer - het was de esthetiek van de beschaafde joint. Berichten uit de samenleving, Macchiavelli, Diogenes: tot diep in de jaren negentig liepen reeksen boeren naar een hekje en staken ze, wanneer ze eindelijk binnen waren, in rembrandtiek licht een pijp op. De stijl leeft getrivialiseerd voort in een programma als Man bijt hond.
In 1973 zochten jonge programmamakers een geschikte vorm voor hun visie op het menselijk bedrijf. Wat zoveel jaren later vooral opvalt, zeker in de bijdragen van Verhagen, is de melancholie: in de onderwerpskeuze en in de manier waarop er werd geregistreerd. Invalide kloosterzusters prijzen hun schepper en hompelen onder begeleiding van Flying van de Beatles het beeld uit. Een Rotterdamse juwelier draait alleen nog maar oude jazz - muziek uit de tijd dat het uitgaansleven nog gezellig was en zijn joodse vriend niet verdwenen. De ondergang van tbs'ers, junks, de schrijver Vaandrager: de terughoudende interviewer Verhagen lijkt zijn protagonisten onbeperkt het woord te geven, terwijl de camera geduldig en precies hun omgeving verkent.
Na de expansieve jaren zestig was dat het begin van de jaren zeventig: de jaren waarin Mensje van Keulen en F.B. Hotz debuteerden, Komrij de negentiende eeuw in ere herstelde en Nescio een belangrijker schrijver werd dan Vestdijk. De meeste indruk op de dvd bij Tegen alle bloedvergieten en kanariepieten in maakte op mij Trap naar zee: een documentaire uit 1975, een jaar na het einde van Het gat van Nederland. In Verhagens geboorteplaats Vlissingen worden de dijken verzwaard en moet een monumentale trap verdwijnen. Een trap verdwijnt, gebouwen verdwijnen, een man en een vrouw op een ansichtkaart worden door niemand meer herkend. In wat nog het meest een associatief filmessay lijkt, komen onder meer een sloper aan het woord, een oude man die de decennia heeft meegemaakt, een jongeman die de ruimte van zijn jeugd afgebroken ziet worden. In 1975 was ik zeventien; ik geloof dat ik rond die tijd een tikje te ongedurig was voor slome VPRO-esthetiek. Ik zie Trap naar zee nu en zie bakkebaarden, gekleurde overhemden en vreemde truien praten over een wereld die is verdwenen.
Eerder verschenen op Neder-L.
maandag 21 april 2014
Spatie
Ik rij wat rond,
maar meestal zit ik binnen,
te creëren.
Als de zon schijnt gaan de tuindeuren open.
Je kan de gouden regen ruiken.
Of:
Ik rij wat rond,
maar meestal zit ik binnen,
te creëren.
Als de zon schijnt gaan de tuindeuren open.
Je kan de goudenregen ruiken.
Wie in een antiquariaat de planken met poëzie afstruint, heeft de bundel waarvan dit gedicht het openingsgedicht is, op zijn minst gezien. Sterren cirkels bellen van Hans Verhagen verscheen in 1968 niet alleen in de oplage van een Literaire Reuzenpocket van de Bezige Bij, maar de bundel was ook spectaculair vormgegeven door Wim T. Schippers. Vijf, zes kleuren met dan ook nog drie verschillende tinten blauw, op de voor- en achterkaft een portret van de dichter als John Lennon, sterren, cirkels, rechthoeken, rafelranden, een palmboom, een ganzenveer - het lijkt een psychedelische uitdragerij, maar wie de bundel ooit in handen heeft gehad, ziet een heldere esthetiek in de traditie van Piet Zwart en Dick Elffers. Wat de vormgeving betreft is het zonder twijfel de mooiste bundel die ooit in Nederland verschenen is. Als ik al die exemplaren in de antiquariaten zie, is - geloof ik - niet iedereen het met mij eens.
Gedichten 1964 - 1967 luidt de ondertitel van de bundel die, zoals uit de inhoudsopgave blijkt, in totaal zestien cycli bevat. Ik rij wat rond is het eerste gedicht van De droom van de dichter, een cyclus uit 1967. Dat de bundel juist met die cyclus opent, is een bewuste keuze geweest van Verhagen. De vijftien overige cycli worden chronologisch gepresenteerd: van Televisie uit 1964 tot Bellen uit 1967. In Eeuwige vlam, de uitgave van Verhagens Verzamelde gedichten uit 2003, is de chronologie hersteld. De cyclus die Sterren cirkels bellen eerst opende, sluit de bundel nu af. Wat eerst de introductie vormde tot afgemeten readymades laat nu vooral de continuïteit zien met wat erna kwam: de in een religieus idioom gegoten mystiek van Duizenden zonsondergangen. Ook die fraai uitgegeven bundel, met op de kaft het Kreuz an der Ostsee van Caspar David Friedrich in een okerkleurig waas, werd een succes bij kritiek en publiek: drie drukken in ruim een jaar. Ook die bundel werd een evergreen in de antiquariaten.
In de decennia die volgden ging het niet zo goed met Verhagens reputatie. Toen in 1983 eindelijk Kouwe voeten verscheen, werd dat nieuwe werk slecht ontvangen. Voor Komrij moet Verhagen iets vertegenwoordigd hebben wat hij verafschuwde: in de eerste druk van zijn Duizend en enige gedichten uit 1979 nam hij precies één gedicht van hem op. Een Nel Benschop van de trippende gemeente, zoiets. In literatuurgeschiedenissen uit die jaren is Verhagen evenmin erg aanwezig. Anbeek noemt in 1990 zelfs zijn naam niet – het werk van Armando en K. Schippers wordt uitvoerig geanalyseerd. In Nederlandse literatuur, een geschiedenis uit 1992 komt Verhagen één keer voor in het hoofdstuk over de verhouding van Nederlandse auteurs tot de Heilige Schrift: in Duizenden zonsondergangen wordt Maria Magdalena aangeroepen. Als het elders over de cruciale periode van gard sivik en De nieuwe stijl gaat, vallen de namen van Verhagens mederedacteuren Sleutelaar en Armando - het is alsof de naam van de dichter die op het moment zelf de poëtica het meest leek te verwezenlijken, moest worden verdonkeremaand. Dat gaat door tot Altijd weer vogels die nesten beginnen van Brems uit 2006: de naam van Verhagen is te vinden in opsommingen van redacteuren, Zestigers of dichters in Carré, maar het blijft allemaal terloops. Het werk van Vaandrager, Armando en zelfs Sleutelaar blijkt wél uitvoerige citaten te verdienen.
Dat Verhagen in 2009 de P.C. Hooftprijs werd toegekend, kwam voor velen dan ook als een verrassing.
Eerder gepubliceerd op Neder-L.
maandag 17 maart 2014
Labov en de literatuurwetenschap
William Labov, de sociolinguïst aan wie Marc zo'n mooie serie wijdde, is de laatste taalkundige geweest die een diepgaande invloed op de literatuurwetenschap heeft uitgeoefend. Dankzij hem vielen nogal wat letterkundigen van een talig geloof af. Het heeft alles te maken met zijn sociologische blik.
Wat was het geloof of paradigma? Dat was de overtuiging dat het taalgebruik in literaire teksten zich op de een of andere manier onderscheidde van het taalgebruik in niet-literaire teksten. Wat zo ijverig door neerlandici en andere brave werkers in het literaire veld werd bestudeerd, verdiende dat vanwege een bijzondere structuur, afwijkend taalgebruik, de niet-referentialiteit der taaltekens, een bijzondere gelaagdheid, bijzondere kunstgrepen. Wat het precies was - daar kon je over twisten. Het getwist maakte de literatuurwetenschap in de jaren zestig en zeventig tot een levendig vak dat als Theoretische Literatuurwetenschap op de universiteiten werd geïnstitutionaliseerd. Een vak met richtingen, stromingen, 'scholen'. Heel af en toe dolf of delfde zo'n school het onderspit. Het was een teken van vooruitgang: de wetenschap schreed voort.
In 1967 publiceerde Labov samen met Joshua Waletzky het artikel Narrative Analysis; Oral Versions of Personal Experience. In deel 5 van zijn serie geeft Marc weer hoe Labov in The Language of Life and Death, zijn boek uit 2013, alledaagse verhalen analyseert. Wat mij frappeerde was dat het niet echt verschilde van hoe hij dat bijna een halve eeuw eerder deed. Een halve eeuw ideeën uitwerken en verdiepen om ze te laten culmineren in een boek met een prachtige, ambitieuze titel. Op de gereformeerde universiteit in Amstelveen zou hij waarschijnlijk schuin zijn aangekeken wegens zelfplagiaat, maar elders gaat dat anders.
Wat maakte Narrative Analysis; Oral Versions of Personal Experience tot zo'n ogenopenend artikel? Dat was de constatering dat elke verhalenverteller, hoe ongeletterd en weinig pretentieus ook, zijn verhaal op een bijzondere manier vertelt. Weliswaar heeft een verhaal een 'basic underlying form', een correspondentie met de chronologie van wat er gebeurde, maar vervolgens wijkt elke verhalenverteller van die 'primary sequence' af. Een verhalenverteller werkt naar een pointe toe. Terwijl hij dat doet, stelt hij het vertellen van sommige onderdelen van zijn verhaal uit en creëert hij meerduidigheid en interpretatieve ruimte. Een verhaal met alleen maar een 'primary sequence' doet zich in de praktijk zelfs niet voor. Het is in meer dan één opzicht 'pointless'.
Dat was een uitkomst die het tapijt wegtrok onder elke vorm van literatuurbeschouwing die verwachtte dat er iets specifiek taligs geponeerd kon worden over wat literaire teksten tot literaire teksten maakt. Als consequent van een patroon wordt afgeweken, tot in het meest banale verhaal aan toe - wat kan er dan ooit systematisch beweerd worden over die krankjorum heterogene verzameling teksten die tot de literatuur gerekend worden? Wat valt er concreet vast te stellen over tekstuele eigenschappen of de manier waarop die worden waargenomen? Niets wat niet ook in meer of mindere mate geconstateerd kan worden bij teksten die geen sterveling tot de literatuur zou rekenen: de verslagen van persoonlijke lotgevallen die Labov en Waletksy analyseerden.
Niet in taal, maar in iets anders. De paradigmawisseling lijkt, zeker met terugwerkende kracht, op één grote, synchrone golf. De receptiegeschiedenis kwam op, de door Verdaasdonk op methodologische gronden gepropageerde literatuursociologie, het poëticaonderzoek. De veldwerkers van de neerlandistiek spraken niet langer over literatuur, maar over literatuuropvattingen. Het structuralisme van Merlijn en het New Criticism verdween, het Russisch Formalisme werd een schattig optimistisch relict, Jakobsons poëtische functie bleek te zijn wat het was: een onderdeel van een communicatietheorie, niet van een theorie over literariteit. De lagentheorie van Ingarden, de secundaire code van Lotman, op de TGG geïnspireerde transformatietheorieën - het was veel, heel veel en het had hoogstens een beperkte historische geldigheid. Soms leken sommige concepten geschikt om iets verstandigs te beweren over sommige teksten.
Het artikel van Labov en Waletksy werd tegelijkertijd een narratologische classic en een artikel waar je niet zoveel aan had: wie greep probeerde te krijgen op Proust of Brakman kon niet zo heel veel met hun gedetailleerde analyse van eenvoudige verhalen. In de Inleiding tot de literatuurwetenschap van Van Luxemburg e.a. uit 1987 wordt Labov nog genoemd; in latere inleidende werken kom ik zijn naam niet meer tegen. Dat zijn artikel een belangrijke rol speelde bij een Umbruch kan ik niet bewijzen aan de hand van een overweldigende hoeveelheid receptiedocumenten. Er is een zekere logica. Ik herinner me gesprekken bij de stencilmachine en de koffieautomaat. Toch: in de jaren zestig werd - niet in Amstelveen - een hoogleraar benoemd met iets als linguïstiek en literatuurwetenschap in zijn leeropdracht. Een internationale coryfee die een decennium later een gouden handdruk kreeg en doperwten ging kweken in Zuid-Frankrijk.
Gisteren gepubliceerd op Neder-L.
dinsdag 25 februari 2014
Wie is van glas?
'Charles VI (‘Le fol’, 1368-1422) leed aan waanideeën. Hij meende o.a. letterlijk van glas te zijn.' Zo luidt de aantekening van vertaler Maarten Elzinga bij een regel uit het gedicht The Conversations van Les Murray, de Australische dichter van wie onlangs een omvangrijke bloemlezing uit zijn werk verscheen. Meer dan vijfhonderd bladzijden en – geloof deze recensie niet – doorgaans uitstekend vertaald. Prachtig uitgegeven bovendien. Een obese, lichtelijk door Asperger bezochte boerenzoon uit de Outback met een encyclopedische tic en die zijn poëzie opdraagt aan de glorie Gods – hij is de grootste levende dichter van dit moment. Er zijn dagen dat ik hem de grootste levende dichter ooit vind.
The Conversations werd in de vertaling Gesprekthema’s; ‘The glass king of France feared he’d shatter’ werd ‘De glazen koning van Frankrijk vreesde in stukken te breken’. Last van gekte kreeg deze Karel vanaf 1392. Zijn bijzondere ziektebeeld kende ik uit de biografie van Caspar Barlaeus: ‘dat wonderlijke mengsel van geleerdheid, goedhartigheid en vreemde angsten en obsessies (hij verbeeldde zich soms van glas te zijn, of voeten van stro te hebben).’ Het citaat komt uit Het licht der schitterige dagen, Hella Haasses biografische schets van P.C. Hooft. Hooft stierf in 1647; Barlaeus overleefde zijn goede vriend maar een paar maanden. Op een winterdag in 1648 liet hij zich vallen in een regenput.
Er waren er meer van glas. In Huygens’ ‘t Kostelick mal uit 1621 bijvoorbeeld:
Wat lett hem? ’t is van glas al wat men aan hem raeckt;
De stoelen zijn sijn’ dood, het bedde doet hem beven,
Daer vreest hy voor den bil, hier sal hem ’t hoofd begeven;
Daer grouwt hem voor een’ soen, daer trilt hy voor een’ knip (…).
Gruwen van een zoen, trillen van een vingerknip. Wat zo iemand ook precies ‘let’ of scheelt: erg prettig is het niet. Droeve teeckenen van een’ gequetsten geest, vindt Huygens, waarom je, omdat ze ook belachelijk zijn, het beste een beetje stiekem kunt lachen.
Een veertiende-eeuwse koning, een zeventiende-eeuwse geleerde; een kwaal die zo courant was dat Huygens hem kon opnemen in een opsomming van malligheden. Een van Cervantes’ Exemplarische vertellingen uit 1613 beschrijft hetzelfde ziektebeeld: bij een jongeman die intellectueel zo briljant is dat hij aan het hof wordt uitgenodigd maar tegelijk zo breekbaar dat hij moet worden vervoerd in een koets die volgestouwd is met hooi. In 1621, het jaar waarin ‘t Kostelick mal geschreven werd, verscheen The Anatomy of Melancholy van Robert Burton – die bizarre, onuitputtelijke voorloper van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders van de hedendaagse psychiatrie. Méér dan een Manual is die Anatomy – veel meer. Een eindeloze opsomming van de vormen die de melancholie kan aannemen plus een eindeloze opsomming van manieren om aan die melancholie te ontkomen. Het is het encyclopedische, deze encyclopedische combinatie die me af en toe het gevoel geeft dat dit het enige boek is waarin het is gelukt om de wereld in zijn compleetheid te beschrijven. De Glass Delusion komt er natuurlijk in voor.
Het Wikipedia-artikel met die titel meldt dat het ziektebeeld de laatste eeuwen niet meer wordt waargenomen. Sinds Freud is niemand meer van glas. Woeste krachten en energieën spelen zich af in een binnenste en laten zich slechts kennen dankzij een uitlaatklep: de mens als stoommachine. Van glas zijn betekende zichtbaar zijn en breekbaar zijn – het lot van een halfvolwassen koning wiens hele existentie afhankelijk was van de erkenning door anderen. Rond het jaar van zijn gekte werd in Brugge het Gruuthusehandschrift samengesteld met daarin twee van de mooiste regels uit de Nederlandse literatuur:
O cranc, onseker, broosch engien,
snee of glas als dijn nature (…)
Dat de mens een zwak, instabiel en broos maaksel was, wisten Brugse burgers als ieder ander – de mens was als van sneeuw of glas. Wat Egidius overkwam – want over hem gaat dit lied – kon op elk moment ieders lot zijn: zo levend, zo dood. Dat besef zou nog wel een paar eeuwen aanhouden. Tegelijkertijd maakt het de vorm die het ziektebeeld kreeg bij de koning en de geleerde minder vreemd: een cultureel volstrekt aanvaardbare metafoor onderging bij hen een proces van verletterlijking, een demetaforisatie. Dát was vreemd. Het zou me niet verbazen als het binnen een pathologische context vaker voorkwam en ook niet als er in het Diagnostic and Statistical Manual een fraaie term voor bestaat.
Gisteren gepubliceerd op Neder-L.
vrijdag 31 januari 2014
Zonder string
De enige bundel van de vijf die ik gelezen heb. Een bundel waarvoor noch Van den Berg in NRC Handelsblad, noch Schouten in Vrij Nederland enige waardering kon opbrengen. Voor de eerste werd ‘de poëzie bedolven in te veel tropisch gekleurd taalgeweld’; de tweede zag een dichter die ‘wel mateloos exotisch en grensoverschrijdend in de weer [was] met e-mailtjes en bluesliedjes, bedelaars en zeeleeuwen maar toch ook nogal ongeconcenteerd’. In De Groene beleeft Gerbrandy hetzelfde nogal anders: hij is ‘meegenomen op een zintuiglijk overweldigende tocht naar oorden die de meeste West-Europeanen exotisch zouden noemen’. Bij hem mondt het uit in een ‘fysieke leeservaring’ die in de buurt komt van een ‘trance’.
Het laatste – dat vind ook ik iets moois. Er is poëzie waarbij ik het meemaak: de poëzie van Lucebert en Ouwens bijvoorbeeld. Poëzie vol beelden die ervaringen benoemen die omdat ze benoemd worden, herkend worden als een ervaring. Of zoiets. Ik geloof dat ik het verschijnsel ‘suggestiviteit’ omschrijf. Beelden, ritme, andere vormen van verbale muzikaliteit: in hun wonderlijke coöperatie creëren ze een object voor het ‘innerlijk oor’, zoals Lucebert dat noemde. Een gang van buiten naar binnen: iets resoneert dat misschien toch niet helemaal onder woorden gebracht kan worden. Maar: de trance, het extatisch knikkebollen – het gaat niet zonder subjectiviteit en semantiek.
Het is die traditie waarbij Antoine de Kom zich thuis voelt. Nederlandse poëzie leest hij nauwelijks, aldus de dichter in een interview. Wel buitenlandse: poëzie van dichters als Wallace Stevens, César Vallejo en René Char. Het werk van Vallejo ken ik niet, maar het werk van de andere twee behoorlijk goed – ze zijn uitstekend in het Nederlands vertaald. Vooral het werk van Char past naadloos binnen de taakomschrijving van een hermetische trancedichter als Lucebert en Ouwens. De ziel geprojecteerd in het landschap van de Provence. Min of meer. Of omgekeerd. De lezer ziet het Char doen en al is zijn horizon die van de Noordoostpolder: hij snapt het niet, maar kent het wel.
Niets van dat alles bij het lezen van Ritmisch zonder string. De ‘zintuiglijk overweldigende tocht naar oorden die de meeste West-Europeanen exotisch zouden noemen’ - het bleven – Fès, Paramaribo, Menorca – exotische oorden. Dat wil zeggen: buitenkant. In een strofe als deze:
martinez.
schudder van kaarten hoeder van menig olijf
en klager bovenal tussen neus en lippen.
je bent een zwijgzaam dwergpaard
steeds weer stappend door sneeuw en bos en duister.
iemand zegt bekakt geen snob voor ogen
te kunnen krijgen maar dat een mot voor de klaagmuur
vol sokken er beslist toe doet.
er hangt hier tegenwoordig een affiche met wilde japanners
die tokyo vanuit hun bad bedrijvig bellenblazend gadeslaan.
rhoda onderging een zware maagoperatie aan haar ratelslang.
de japanners klapten om al deze zonderlinge uitlandigheid.
rhoda had iets en martinez verkondigde wat.
onder meer over de arabische prins die enkelvoudig en in onzin
meer dan de weg vroeg aan martinez. die had geaarzeld.
Beelden van de buitenkant: gecopypaste ansichtkaarten. Niet echt iets dat oprijst uit het onderbewuste. Misschien wordt het in dit gedicht wel geproblematiseerd. Zelfs als dat zo is, gebeurt dat met een zinsmelodie die in meer dan honderd pagina’s nauwelijks iets persoonlijks krijgt. Wat hebben we wel? Woordspelige enjambementen – ‘geen snob voor ogen / te kunnen krijgen’ - die we van Huub Oosterhuis niet zouden accepteren. Spelletjes met de bladspiegel – gecentreerde gedichten, gedichten met plaatjes, fake-e-mails, gedichten die eigenlijk proza zijn, gedichten met rare inspringingen – die de dwingende noodzaak hebben van montessoricreativiteit.
Dat lag bij Stevens en Char, en waarschijnlijk ook Vallejo, toch wat anders.
N.a.v. de toekenning van de VSB-prijs aan Antoine de Kom, Ritmisch zonder string, Amsterdam etc. 2013. Gisteren gepubliceerd op Neder-L.
maandag 20 januari 2014
Examen
1. Het tekort aan huispersoneel en de toekomstige inrichting der woningen.
2. Verzetspoëzie.
3. Onze manieren in het publieke leven.
4. Wat heeft de H.B.S. mij gegeven?
5. Zwarte handelaars en zwarte kopers.
6. De werkijver na de oorlog.
7. Het leven op het platteland.
8. Hoe droom ik mij het herstel van de verwoesting in mijn woonplaats?
9. Nederland bleef trouw.
Het eindexamen Nederlands van de Hogere Burgerscholen A en B in 1947, afgenomen in de namiddag van 3 juni. Een simpele opgave: maak een opstel. De kandidaat kreeg tweeëneenhalf uur de tijd.
Voor wie niets kon bedenken was er opdracht 10:
Lees eerst het gehele stuk aandachtig door en beantwoord daarna de vragen, zoveel mogelijk met eigen woorden en in goed gebouwde zinnen.
Een nuttige cursivering, want wat volgde was een tekst van de beroemde volkenrechtjurist Van Vollenhoven die een proza schreef dat veel te veel Tacitus had gezien. Van de 24 zinnen waren er maar liefst zeven elliptisch. Zin drie: ‘ En dus hoe?’ Even verder: ‘Oorlog voorop; maar in nieuwen zin.’ Van Vollenhovens proza werd gevolgd door zestien begripsvragen, waarna het ‘in het kort’ moest worden samengevat.
Een examen van bijna 67 jaar geleden. Ik vond het in het archief van mijn vader die al zijn eindexamens bewaard bleek te hebben. Nederlands, Frans, Duits, Engels, natuurkunde, scheikunde. Een apart vak mechanica. Vier soorten wiskunde: stereometrie, trigonometrie, algebra en beschrijvende meetkunde. Vier keer tweeëneenhalf uur. De HBS-B leidde op voor Delft en voor de economische hogescholen in Tilburg en Rotterdam. De HBS-A, als ik het goed heb, voor bijna niks: ook juristen moesten gymnasium hebben. Handelscorrespondentie, een kantoorbaan – dat was het voorland. Het wóórd handelscorrespondentie alleen al. Schimmen van Woutertje Pieterse en Frits van Egters. Rotterdam, Bordewijk.
Dit examen op goedkoop, vergeeld papier. De onderwerpen, afgezien van nr. 3 dat ik me geherformuleerd – iets met social media - ook nu kan indenken: niets dan een onoverbrugbare afstand. Een vleug van Huizinga’s historische sensatie, sublieme herkenning: geen sprake van. Een hiërarchische samenleving waarin hbs’ers gymnasiaal proza moesten begrijpen en samenvatten, waarin elke willekeurige Nederlander zich een tekort aan huispersoneel moest kunnen voorstellen – het is vreemd en angstaanjagend. Eén generatie voor mij.
dinsdag 26 november 2013
Schittering
Vanochtend kwam het bericht dat Gerrit Krol is overleden. Op zaterdag 22 april 2012 stond een van zijn gedichten op de poëziekalender van Meulenhoff. De laatste strofe:
Want alle vlees, het is als gras
en het witte, leven brengende kroesje
een vlinder, een libel misschien wel,
die schittert in de zon, vooral na een fikse regenbui.
Zijn poten houden met kracht een rietstengel vast,
dragen het vliesdun overschot,
dat trilt in de wind.
-------------------------------------------------------------------------
Een gedicht van Gerrit Krol op de Meulenhoffkalender vandaag.
Gerrit Krol is de schrijver die ik in mijn studententijd het meest las. Zijn nuchtere en weemoedige stijl, de theorieën waarmee zijn eenzame mannen greep probeerden te krijgen op leven, werk en vrouwen, zijn experimenteren met de romanvorm dat nooit een geforceerde indruk maakte.
Beschrijvingen van het licht dat schitterde op de spaken van een fiets. Landschappen in Groningen en Venezuela.
Zijn essays in De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels waarin hij verder ging dan een literatuurwetenschapper ooit kon komen.
Opeens was de liefde over. Na De man achter het raam heb ik nooit meer iets van Krol gelezen. Ik bladerde zijn volgende boek, Maurits en de feiten, door. De bladspiegel was die van een gewone roman. Het bevestigde de indruk die ik had gekregen van fragmenten in De Revisor. Een roman met personages.
Opeens was de liefde over. Na De man achter het raam heb ik nooit meer iets van Krol gelezen. Ik bladerde zijn volgende boek, Maurits en de feiten, door. De bladspiegel was die van een gewone roman. Het bevestigde de indruk die ik had gekregen van fragmenten in De Revisor. Een roman met personages.
Nooit meer iets - tot vorig jaar. Ik wilde weten wat de magie geweest was. De zoon van de levende stad bleek nog steeds een prachtig verhaal. De man achter het raam een verhaal dat berustte op één idee – niet veel meer dan dat. Het gemillimeterde hoofd, Een Fries huilt niet – misschien moet ik die twee herlezen. De schrijver, zijn schaamte en zijn spiegels ligt nu voor me. Ik sla p. 21 op: “Een middelmatige schrijver herken je altijd daaraan dat je ‘m nooit zult betrappen op feitelijke onjuistheden. Alles klopt altijd, bij een middelmatige schrijver” en vraag me af wat Krol van Bonita Avenue zou denken.
Het gedicht van vandaag heet Een levende ziel en bestaat uit drie strofen. In de eerste kijkt de ikfiguur naar een man op een foto. Een naakte man, van achteren gezien en de laatste in een rij. 'Ter hoogte van zijn bilnaad hangt een kroes/ aan een oor, aan zijn pink'. Het is een foto uit de oorlog. De tweede strofe telt twee regels en lijkt me minder geslaagd. Maar dan de derde. Het kroesje van de man wordt ‘een vlinder, een libel misschien wel / die schittert in de zon, vooral na een fikse regenbui./ Zijn poten houden met kracht een rietstengel vast’ en dan komt er nog een fraai slot.
Ziel, vlinder, libel, schitteren in de zon. Het lukt Krol om ermee weg te komen door zijn nuchtere beschrijving van een situatie in de eerste strofe die op zichzelf niets te maken heeft met het beeld in de derde. Door de verbinding die Krol legt, licht er iets op – ik kan het niet anders onder woorden brengen. Dertig jaar geleden had ik een ferme mening over Krols poëzie: die was een stuk minder dan zijn proza. Misschien heb ik me vergist.
Eerder in een wat andere versie verschenen op dit blog; gisteren gepubliceerd op Neder-L.
Abonneren op:
Posts (Atom)