zondag 23 juni 2013

Productieve receptie


Ze is jarig vandaag: mevrouw Achmatova. Bij wijze van, zoals we dat in de literatuurwetenschap noemen, productieve receptie:


In honderden mijlen 

Dalend vanuit hoge hoogten het bekende
moerasland, geïrrigeerd tot lijnen, vaarten,
rechthoekige velden. De vertrouwde
nederzettingen met een ringweg.
Hoe vaak niet.
 
Daar was de dichteres die in honderden
mijlen het moeras zag, moerassen
van zout plus wat gras moest zijn
en ceders. Dit is mijn Vaderland,
schreef ze. Daar ben ik.

Ziel en lichaam, beide. Ziel en lichaam
geprojecteerd vanuit een vliegtuigstoel,
vastgesjord aan riemen. Hier zit ik,
zitplaats aan het raam, het Vaderland
dat ik ben is daar.
 
O Russische dichteres na WO II,
voor het eerst in een vliegtuig.
Om mij heen de opgewekte,
bruinverbrande gezinnen. Woorden
pingpongend. Vader, moeder.
 
Vaker dan over land: water.
De riemen die je vast doet
of los. Glinstering voor wie
naar buiten kijkt. Weerspiegeling
van zon of maan.
 
Dalen we niet? We dalen.
Straks de auto die klaar staat.


© Gert de Jager

zondag 16 juni 2013

Tegen het gestandaardiseerde


De letterkundige neerlandistiek: Bourdieu; internationaliseren; onderzoeksresultaten.

Het moet zich laten samenvatten.

Vandaar:

op Poetry International volgden 6,3 miljoen Chinezen gisteren het middagprogramma via een Live Stream;

in China zijn ISBN-nummers onbetaalbaar;

poëzie bestaat vooral op Facebook en Chinese varianten daarvan;

poëzie heeft niet minder prestige dan tijdens de Tang-dynastie;

China = censuur en commercie – maar dat geldt dan toch het minst voor de poëzie;

de Chinese poëzie maakt een Zilveren Tijdperk door.


Gisteravond traden drie dichters op. Het meeste indruk maakte op mij Qin Xiaoyu - een verlegen ingenieur die, zo begrepen we, ook scherpzinnige essays schreef. In zijn gedichten grijpt hij terug op de Chinese traditie, maar verwerkt hij evenzeer westerse invloeden. Peking Dalí heet een van zijn gedichten en daarin is Dalí toch echt de Catalaanse schilder. Zijn Pekingse evenknie heeft niet minder last van zijn ‘melodische snor’, maakt een stripverhaal van ‘die verdomde schemering van Wagner’, heeft het over ‘god deze stomme huisschilder’. Gedichten met heldere beelden die hun onderling verband niet helemaal prijsgeven. De kritische intellectueel die de grenzen kent. In een gedicht waarin hij zich vereenzelvigt met een prehistorische grotschilder bijvoorbeeld:

Ik graveer wild in rotsen,
zodat ze beesten in bontjassen worden, onderworpen door mij. 

Lijnen van droge takken, hier en daar scherp alsof gebroken,
angst met mooie patronen. 

Ik teken geweien als dichte bossen,
zodat het reekalf op het klif over zijn persoonlijke bergvoet drentelt.

(…)

De maskers die ik schilder kunnen de plantengroei bevorderen.
Ik hoop dat het heelal eenvoudiger is.


            (vert. Silvia Marijnissen)

gisteren gepubliceerd op Neder-L

zondag 9 juni 2013

Vijftien jaar opvoeding

              
               God verwierp ik tijdens een pauze, in de derde klas van het 's-Graven- 
               haagsch Christelijk Gymnasium, in het gezelschap van Gerard.

De jonge godloochenaar die hier aan het woord is, is het ik-personage in Gesloten huis van Nicolaas Matsier. Zo makkelijk kan het dus gaan: afscheid nemen van een metafysisch stelsel dat je van jongs af aan als weg en waarheid is voorgehouden. Nauwelijks getob, geen estafette van slapeloze nachten, geen existentiële crises waar een zielzorger of ander therapeutisch personeel aan te pas moet komen. Toch: wat er aan voorafging was indoctrinatie vanaf de wieg. Eeuwenlang beproefd bovendien in gezin, school en kerk – behoorlijk alomvattende instituties, zou je zeggen. Consequente en systematische nurture – bij de generatie waartoe Matsier behoorde, verdwenen de resultaten van al die inspanningen sneller dan een tatoeage bij een vijftienjarige van nu. Met een gladde ziel stapte men de wereld in.

Geen overhaaste generalisatie, echt niet. Ik ben zelf een eerstelichtingongelovige en daar zijn er in Nederland nogal veel van. Dat het eigenlijk merkwaardig is dat die massale geloofsafval zo soepel verliep, realiseerde ik me toen ik Pier en oceaan las – een boek waarvoor de ondertitel van het boek van Matsier, Zelfportret met ouders, niet minder geschikt zou zijn. Ook het milieu dat De Jong schetst, komt sterk overeen. In beide boeken zijn de vaders de eersten uit een geslacht van kleine luiden die naar de universiteit gaan. Ze worden geen dokter of advocaat, maar historicus en groeien uit tot intellectuele boegbeelden van hun zuil.

Pier en oceaan las ik enkele maanden geleden. In achthonderd bladzijden wordt de ontwikkeling van een jongeman geschetst die aan het eind het ouderlijk huis verlaat om in Amsterdam te gaan studeren. Wat ik, toen ik over dit stukje nadacht, me herinnerde was dat ook hierin de geloofsafval van het hoofdpersonage zich als een bijna organisch proces voltrok. Geen machteloze aanroepingen van het opperwezen, geen pathetiek. Het personage Abel Roorda ziet en ervaart veel en denkt over van alles na – die achthonderd bladzijden moeten ergens mee gevuld worden. Maar het afscheid van het geloof der vaderen houdt hem minder bezig dan zijn ongelukkige moeder, de nare eigenschappen van zijn vader, de kwaliteit van vrienden en vriendinnen en alles wat hij aan oceanische vergezichten voor zich ziet.

Een moment van geloofsafval komt in het boek zelfs niet voor, merkte ik toen ik ernaar zocht. Als achtjarige wordt Abel betoverd door Bijbelse verhalen (253), twee jaar later stelt hij zichzelf lastige vragen (286), weer vijf jaar later krijgt hij een brief vol verwijten van zijn moeder (463). Een van de dingen die haar soms ‘benauwen’ is dat haar zoon zich zo afzet tegen het geloof. Op welke manier deze vijftienjarige zich afzet, krijgen we niet te lezen – het valt blijkbaar in het niet bij alle andere puberteitsconflicten. Pas na zijn eindexamen vindt er iets als een theologische discussie plaats: niet met vader, niet met moeder, maar met de dominante Friese grootvader – selfmade zakenman en daadkrachtig lokaal politicus. ‘Ik ben net zo geweest als jij,’ zei hij. ‘Net zo hoogmoedig, net zo vervuld van mijzelf, net zo waanwijs’ (637). Het verschil is dat grootvader een moment van bekering heeft doorgemaakt:

“(…) Ik lag op mijn knieën tussen de werkbanken en voelde wroeging over het kwaad dat ik had gedaan, iets wat veel dieper ging dan alleen maar spijt. Ik zag het kwaad in mijzelf. Ik besefte hoe klein ik was, hoe zwak, hoe weinig ik voorstelde, ondanks al mijn eigendunk. Ik weet niet hoelang ik daar op mijn knieën heb gelegen. Toen ik naar buiten liep, was ik veranderd.”
      Abel zweeg beleefd. Roorda ademde moeizaam.

Wat grootvader benoemt, zullen de meeste lezers zelf hebben bedacht: Abel en zijn grootvader zijn tegenpolen met een verwant karakter. De Jong portretteert grootvader als een fenomeen dat richting geeft aan, maar ook afhankelijk is van zijn sociale omgeving. In de omgeving van zijn Friese provinciestad stelt hij iets voor. Dat hij zich overgeeft aan de patronen van zingeving die daar courant zijn, is onvermijdelijk. Het is noodzakelijk voor wie autoriteit wil verwerven en daar zelf in wil geloven. Grootvaders existentiële moment was vooral een voorwaarde voor zijn sociale existentie.

Tegelijkertijd laten Abels ontwikkeling en het algehele falen van zijn godsdienstige nurture zien hoe weinig geloofsinhouden er werkelijk toe doen. Juist de grotere sociale omgeving die De Jong schetst, de wereld van de provinciestad Goes waarin het gewoel van de jaren zestig doordringt en zelfs bevindelijke boeren zich kunnen ontpoppen tot blueszangers, biedt de zoon van de intellectualistische, calvinistische rector alternatieven voor een levenswijze en een gedachtewereld. Vijftien jaar opvoeding kunnen daar blijkbaar niet tegenop. Dat de overgang van iets naar niets bij de personages van Matsier en De Jong zo weinig zielenpijn te weeg bracht, zou bovendien wel eens met die intellectualistische achtergrond te maken kunnen hebben: wie in zo’n milieu opgroeit, groeit op in een wereld van redelijkheid en afwegingen– van boeken naast dat ene Boek. Wolkers, Biesheuvel, ’t Hart: de echte ongeloofsdrama’s voltrokken zich in milieus waarin men aan een milieu moest zien te ontsnappen.


(Vrijdag gepubliceerd op Neder-L. Zie hier en hier voor eerdere stukken over of naar aanleiding van Pier en oceaan.)

zondag 12 mei 2013

Een gedicht van Kouwenaar

            10 mei 1994
                                 voor lucebert
                                     voor tony
 
Vanavond gehoord van je dood op een uur
dat de dag haast stilstond van vrede

maar onder een andere hemel verstreek een andere tijd
ontplofte het licht en je was verdwenen
 
hier in mijn schemer vonkt nog het oude volledige leven
en bekvecht het uitgesteld vlees met de geest
 
een verwonderde muze wacht op het donker en vlecht
nog een kraai en een nachtegaal tussen de regels
 
niets is voor niets geweest nu niets meer beweegt
voorgoed lig je vast in je taal en je tekens
in wat je steeds luider totaler verzwijgt –
 

Een gedicht van Kouwenaar, natuurlijk. Het eerste gedicht in de afdeling Van woorden gemaakt in de bundel De tijd staat open uit 1996.

Ik geloof niet dat er overdreven veel commentaar nodig is. Lucebert heeft het in zijn beroemde gedicht over ‘het volledig leven’. Ik ken Lucebertspecialisten die zich over zo’n lapsus goed kunnen opwinden.

Van wie is ‘het uitgesteld vlees’? Van ‘jij’, wiens dood de ikfiguur nog niet tot zich wil laten doordringen? Of van de ikfiguur zelf, die opeens wordt geconfronteerd met zijn eigen sterfelijkheid – ‘mijn schemer’? ‘Geest’ is op zichzelf geen Kouwenaarwoord. Het was de jonge Lucebert die in bundels als Apocrief/ de analphabetische naam en in de Open brief aan Bertus Aafjes een uitweg zocht uit wat hij ervoer als een dualisme tussen geest en lichamelijkheid. Het is die jonge Lucebert die, los van alle vriendschapsbanden, Kouwenaar altijd het meest is blijven fascineren.
 
Fraai vind ik de vierde strofe – ook niet erg Kouwenaarachtig. Alsof de muze, de kunst, als een zelfstandige kracht te werk gaat buiten de fysieke aanwezigheid van een dichter om. Er is nog iets in beweging terwijl er – zoals even later blijkt – ‘niets meer beweegt.’
 
We hadden het over kunst en nu – letterlijk - over drie keer niets. De dood is de grote gelijkmaker, zou je zeggen, maar de lezer ontkomt er niet aan om aan de nietsen betekenis te geven. Wat je gemaakt hebt, heeft iets voorgesteld – het blijkt nu het werk voltooid is. Zoiets: een grafredenaar zou het vast chiquer onder woorden brengen. Echt in het Kouwenaaruniversum zijn we in de laatste twee regels. Hoe loopt het in dat universum af met een dode dichter? Ik citeer de slotstrofe van ‘een dode dichter’ uit 1962:
 
dan kevers, eindelijk spreekverbod, zelfs
geen dood meer, volmaakte
daad van ontkenning, on-
sterfelijke moorden: dingen
van leegte, woorden van stof –
 
Het zijn regels die vaak poëticaal zijn opgevat. In de formulering van Kusters:
 
Terwijl de dichter zijn definitieve versie schrijft, het vers afmaakt, zodat het stolt op de bladzij, op datzelfde moment is ook de buitenliteraire aanleiding, de levende stof de doodsteek toegebracht. Maar we hebben hier te maken met een paradox. Alleen dankzij die steek met, bij wijze van spreken, het pennemes, kan de aanleiding in taal voortbestaan, onttrokken als zij vanaf dat moment zal zijn aan de voortspoelende tijd.
 
Vastgelegd in taal en tekens – dat is er op dit moment aan de hand met de ‘je’ die we met Lucebert identificeren. Inherent aan het creatieve proces is dat er afstand wordt gedaan van het volle leven. Wanneer een dichter overlijdt, bereikt dat creatieve proces zijn limiet en zijn voltooiing. De nagelaten taal en tekens zullen steeds nagelatener getuigen van ’s dichters bewegingloosheid. Steeds luider en totaler. Steeds méér worden ze alleen maar taal en tekens – dingen van leegte en woorden van stof.

Je zou kunnen zeggen: aan het slot van zijn gedicht heeft Kouwenaar een schokkende gebeurtenis ondergebracht in zijn manier van denken –in zijn conceptuele kader, in zijn systeem. Je zou ook kunnen zeggen: een gedicht dat die schokkende gebeurtenis recht wil doen, zou zich aan het systeem moeten onttrekken. Ik geloof dat het inderdaad de vierde strofe is waarin dat het meest gebeurt. Het is niet voor niets de strofe waarin Kouwenaar vooral een sensatie beschrijft. Een denkbeeldige kraai en een denkbeeldige nachtegaal – opeens verschijnen ze in de schemer. Ze personifiëren iets – ja, natuurlijk. Nog voor het donker wordt, zijn ze ingevlochten in het werk van de dichter wiens sterven even wordt uitgesteld. 


(vrijdag gepubliceerd op Neder-L) 

dinsdag 30 april 2013

Ideaal


Een gedicht van Frida Vogels op de kalender van Van Oorschot vandaag.  
 
In dromen is er niet wat er geweest is
ook niet wat had kunnen zijn, maar
een werkelijkheid die men haat; die men eigenlijk wel
eens werkelijk zou willen beleven, om er
in rond te trappen als een paard in een porseleinkast,
maar die, tergend opdoemend, een spel van schimmen blijft
waarin men ook maar als schim meespeelt.
 
Titelloos, zoals alle gedichten in De harde kern 3. Om en nabij de driehonderd gedichten, verdeeld in twaalf afdelingen en voorzien van een datum. Dit gedicht komt uit VII en werd geschreven op 8 december 1966. Een werkelijkheid van Romeinse cijfers en dagtekeningen.

Zelfs dromen zijn bedrog, zou je kunnen zeggen. In de eerste twee delen van De harde kern, meer dan achthonderd bladzijden proza, worden we geconfronteerd met een personage dat moeite heeft met elke sociale band. Familierelaties, vriendschappen, erotische betrekkingen, de grote buitenwereld – evenzovele aanleidingen voor heftige gevoelens van vervreemding. Het leidt tot eindeloze analyses van zichzelf en anderen. Een onvermogen tot compromis, trouw willen zijn aan zichzelf. De wereld van Vogels is, zoals bekend, ook de wereld van Voskuil: van Bij nader inzien en Het bureau.

Voskuils personage Nicolien, Vogels’ personage Berta Mees: vrouwen van vóór de feministische golf uit de jaren zestig. Niet of nauwelijks een maatschappelijke loopbaan, in de praktijk tweederangsburgers. Nicolien zit alle zeven delen van Het bureau thuis. Het ergste wat Maarten haar kan aandoen is zich overgeven aan carrièredrang. Dat is geen overweldigende karaktertrek van Maarten, maar Nicolien meent hem nogal eens waar te nemen. Meer dan het kostwinnerschap is Maarten niet toegestaan. Iets anders zou een verloochening zijn van de zuiverheid die – vanuit een wat ander perspectief – haar noodlot is.

Zuiverheid is ook het ideaal van Dina Roorda, de moeder van het hoofdpersonage uit Pier en Oceaan. Niet kinderloos dus zoals Nicolien en Berta - vijf kinderen maar liefst en een echtgenoot die rector is van een protestants lyceum in Goes. Maar eenzelfde onvermogen om zich maatschappelijk te ontplooien en te plooien, eenzelfde veroordeling van iedereen in de omgeving die daar minder moeite mee heeft. ‘Probeer nou es een maand helemaal niets onzuiver te vinden! Misschien gaat het dan beter!’ barst zoon Abel op een gegeven moment uit. In de driehonderd pagina’s die volgen, houdt een moeder zich staande met behulp van tranquillizers, desintegreert een huwelijk, is een zoon trots wanneer hij zijn moeder auto ziet rijden.

De onuitstaanbare Nicolien, ogenschijnlijk zonder empathisch vermogen wanneer het haar echtgenoot en besognes van zijn werk betreft; de in de doolhof van haar analyses verdwalende Berta; Dina die zich wil bevrijden van‘al dat kleine menselijke gedoe’ – het zijn vrouwen die zich laten leiden door idealen. Je hoeft geen hardcore marxist te zijn om vast te stellen dat de bovenbouw hier nogal afhankelijk is van de maatschappelijke onderbouw. Via een omweg: een maatschappelijke constellatie maakte het onmogelijk om een mensbeeld te toetsen waardoor dat mensbeeld onaangetast kon blijven bestaan. Compromisloosheid, een ideaal van zuiverheid: een gedeelte van het volk had behoefte aan haar eigen opium. Een generatie van vrouwen moest zich met een lot proberen te verzoenen. 
 
(gisteren gepubliceerd op Neder-L) 

maandag 29 april 2013

Discipline


Eeuwige roem door in 356 v. Chr. een Artemistempel in brand te steken, een verhaal in Sartres Le mur, een gedicht van Menno Wigman ter gelegenheid van de troonswisseling. Het werd afgelopen woensdag gepubliceerd op het literaire weblog Tzum en op de website van de Slaa. Ik neem aan dat ik het integraal mag citeren.


          Herostratos

           Er tikken pissebedden in mijn hoofd.
           Ze naaien mijn gedachten op.
           Ik denk al dagen aan een daad, zo groot,
           zo hevig en dramatisch dat mijn naam
           in alle kranten komt te staan.

           Napoleon, las ik, was kleurenblind
           en bloed was voor hem groen als gras.
           En Nero, die bijziend was, hield het spel
           in zijn arena bij door een smaragd.

           Nu even stilstaan. Moet je horen: ik
           ga straks de straat op, ik besta het, schiet
           me leeg en verf de feeststad groen.

           En nog voor het eind van het festijn
           zal ik de grootste zoekterm zijn.


Een sterk gedicht. Een typisch Wigmangedicht ook: de identificatie met een buitenstaander die moeite heeft de legioenen in zijn hoofd onder controle te houden; de historische referenties; een eigentijds beeld voor wat zich gisteren, nu en altijd zal voltrekken. De acute onsterfelijkheid van Google.

Menno Wigman, stadsdichter van Amsterdam. Geschreven aan de vooravond van de inhuldiging van Willem-Alexander. Met dat commentaar moet de lezer van Tzum het doen. Een formulering van de dichter zelf? Normaal publiceert een Amsterdamse stadsdichter zijn gedichten in Het Parool – het staat zelfs in zijn functieomschrijving. Tzum volgt het landelijke literaire nieuws, maar richt zich eigenlijk op Groningen. Op Facebook, die eigentijdse gossipmachine, circuleerde dan ook snel het gerucht dat Het Parool het gedicht niet wilde plaatsen. Enig googlen, jazeker, leerde me dat het gedicht bibliofiel werd uitgegeven in een oplage van 38 exemplaren; niet ongebruikelijk bij Wigman. Op de hevig vormgegeven, ondoordringbare website van de Slaa is het gedicht ook sinds woensdag min of meer te vinden.

Ik heb geen abonnement op Het Parool en de echte vooravond van de inhuldiging is pas maandag. Ik kan iets gemist hebben en er kan nog iets komen. Toch zou het me allemaal niet verbazen. Een feeststemming verstoren door aandacht te schenken aan types die de feeststemming kunnen verstoren. De malloot die weinig nodig heeft om op een idee gebracht te worden. Of het nu wijze zelfbeperking van de dichter is of van de krant: wijs is het zeker. Een hoofdredacteur bespaart zich pagina’s met ingezonden brieven. Een auteur ziet net als iedereen hoe de stad is afgezet en hoort boven zijn tuimelraam de politiehelikopters vliegen. Groningen. Slaa. Achtendertig exemplaren.

Het laat zien hoe moeizaam de positie is van een dichter die meent iets te moeten vertegenwoordigen. Wigmans voorganger was Frank Starik die op de toon van een boeteprediker uit de Bible Belt feesten en partijen opluisterde met vriendelijke versjes. Die uitvaarten, waarbij eenzame doden op het laatst nog even worden onderworpen aan maatschappelijke disciplinering. Het verantwoord moralisme van de dichters des vaderlands – op een enkel schurend vers van Komrij na. Een stadsdichter spreekt namens de polis en richt zich tot zijn medeburgers. Hij moet een diplomaat zijn, een retoricus. Het probleem met het gedicht van Wigman is dat het van meer inzicht getuigt in wat een stadgenoot beweegt dan de polis ooit kan verdragen. Als stadsdichter is Wigman een exponent van de maatschappelijke disciplinering waarvan hij in zijn gedicht het failliet bij een medeburger beschrijft. Diezelfde maatschappelijke discipline vereist dat hij dat failliet niet al te luid en duidelijk onder woorden brengt.


(zaterdag gepubliceerd op Neder-L)

zondag 21 april 2013

Polyfonie


Een polyfone roman met één hoofdpersonage – dat is Pier en oceaan. Polyfoon volgens de auteur zelf: “Daarom heb ik een polyfone roman geschreven, over individuele levens in verscheidene generaties.” Aldus De Jong in een interview in Vrij Nederland. Dat er in ruim achthonderd pagina’s doorgaans één stem opklinkt, die van het achter Friese en Zeeuwse dijken opgroeiende personage Abel Roorda, zal iedereen erkennen die de roman gelezen heeft. Ook De Jong doet daar niet moeilijk over. In een ander interview, in NRC Handelsblad, gaat hij in op het autobiografische gehalte van het boek. Pier en oceaan werd geschreven om een tijd te evoceren - de tijd van een jeugd.

Wanneer één stem overheerst in iets wat polyfoon bedoeld is, zou het zomaar eens kunnen dat na achthonderd pagina’s de compositie behoorlijk uit het lood is geslagen. Dat gebeurt niet –het is althans niet mijn ervaring. Met die polyfonie valt het ook wel mee. Met uitzondering van de eerste honderd pagina’s, waarin de lotgevallen van een toekomstig ouderpaar worden beschreven, ligt het perspectief bij het hoofdpersonage. Perspectief is een te magere term. Het personage wordt met al zijn zintuigen de zaken van het leven gewaar, denkt over die zaken na en probeert zich een manier van doen aan te meten. Af en toe wordt het perspectief doorbroken: opeens bevinden we ons in het bewustzijn van moeder Dina, vader Lieuwe of de Friese grootvader.

Voor die doorbrekingen voert De Jong een rechtvaardiging aan die op zichzelf losstaat van de polyfonie. Zijn werkwijze zet hij af tegen die van een voorganger als Vestdijk en een tijdgenoot als Van der Heijden. Ook zij evoceerden een jeugd, ook zij evoceerden een omgeving waarin een kind opgroeide. In het interview in Vrij Nederland stelt hij dat ze vooral tekortschoten in de manier waarop zij ouders portretteerden:

(…) je ziet die mensen niet van binnenuit, ze hebben geen eigen perspectief in de roman. Iedereen van onze leeftijd denkt nu op een psychologische manier na over zijn ouders en grootouders, je hebt een beeld van hun relaties, je kunt zien hoe dat je eigen leven beïnvloedt. Een roman met één hoofdpersoon doet daar geen recht aan.

Toch is Pier en oceaan wel degelijk een roman met één hoofdpersoon. Die hoofdpersoon stelt zich de beweegredenen voor van de personages in zijn directe omgeving. Alleen omdat hij dat doet - zoals ‘iedereen van onze leeftijd’ – wil De Jong ons confronteren met het perspectief van anderen. Niet omwille van zichzelf kent de roman dat perspectief, niet vanwege een compositorische noodzaak: we betreden het hoofd van Dina en anderen om een realistische illusie te versterken. Bij die realistische illusie gaat het niet om henzelf, maar om de protagonist. Dat Pier en oceaan een boek zou zijn over ‘individuele levens in verscheidene generaties’ is dan ook niet helemaal waar. Die individuele levens worden ons gepresenteerd omdat ze een rol vervullen: ze zijn markeringspunten in het bewustwordingsproces van Abel Roorda.

Dat De Jong het niet zo ziet, zou onaardig geïnterpreteerd kunnen worden. Als deze auteur oprecht denkt dat hij zijn verwanten evenveel ruimte schenkt als zijn alter ego... Wat is dat voor man die achthonderd pagina’s wijdt aan zichzelf? Op mij hadden de doorbrekingen van het perspectief een heel ander effect – een effect dat misschien wel haaks staat op wat De Jong voor ogen stond. Het heeft te maken met de manier waarop De Jong de perspectiefwisseling presenteert – als een echte perspectiefwisseling namelijk. Tientallen bladzijden wordt er gefocaliseerd vanuit Abel. Wanneer het perspectief verspringt, is het niet Abel die zich gemoeds-toestanden en beweegredenen buiten zichzelf voorstelt, maar de vertelinstantie die de gemoedstoestanden en beweegredenen beschrijft en presenteert. Voor de lezer is het niet Abel die ‘op een psychologische manier nadenkt over ouders en grootouders’ – Abel verdwijnt. Abel is voor de lezer een personage van papier - van dezelfde orde als Dina, Lieuwe en alle anderen die de roman bevolken. Tientallen bladzijden maken wij de werkelijkheid mee vanuit het hoofd van Abel – het zijn Abels gewaarwordingen die we leren kennen, waarover we reflecteren, die we desnoods bekritiseren. In zijn hoofd zitten we als in ons eigen hoofd. Het leidt tot maximale identificatie en de realiteitsillusie waar De Jong zo hartstochtelijk op uit is. Maar opeens gebeurt er iets wat in geen enkele werkelijkheid kan gebeuren – niet in die van Abel en niet in die van ons: we worden getransporteerd naar het hoofd van een vreemde.

In Pier en oceaan leiden de perspectiefwisselingen niet tot een versterking van de realistische illusie – integendeel: die illusie wordt verbroken. De conclusie lijkt onontkoombaar: welke kwaliteiten Pier en oceaan ook mag hebben - de verteltechnische innovatie die De Jong als een belangrijke bijdrage aan de geschiedenis van de ontwikkelingsroman beschouwt, heeft niet het gewenste effect. Het neemt niet weg dat die perspectiefwisselingen bij de lezer die ik ben, wel degelijk sterk werken. Getransporteerd worden naar het hoofd van een ander, naar dierbaren in de directe omgeving – dat zoiets niet echt mogelijk is, laat zich op zijn hoogst vangen in een uit het Frans vertaalde volzin vol termen als ‘menselijke conditie’, ‘isolement’ en ‘verlangen’. Wie Pier en oceaan leest, stuit op die conditie – in de werkelijkheid van Abel en in de alledaagse werkelijkheid van de lezer. Maar wie Pier en oceaan leest, krijgt ook even, heel even, juist wanneer hij uit Abels hoofd wordt gekatapulteerd, de gelegenheid zich aan die conditie te onttrekken. De perspectiefwisselingen in Pier en oceaan creëren geen realistische illusie, maar een metafysische illusie. Niet bij Abel Roorda, maar bij de lezer.

Zich overgeven aan metafysische illusies – dat gebeurt vaker in Pier en oceaan. Meer dan een race-milieu-momentzoektocht is het boek een zoektocht naar wat een jongeman ontwaart wanneer hij zich uitrekt op een pier en het een en ander voor zich ziet liggen. De metafysica waar het mij hier om gaat, is de metafysica van het lezen – wie fictie leest, zich identificeert met personages, zich identificeert met een implied author, treedt buiten zichzelf op een manier die we verder alleen maar kennen van heel nare sektes. Hij geeft zich over aan bewustzijnsinhouden. Wie Pier en oceaan leest en zich - na de eerste honderd bladzijden - vereenzelvigt met Abel Roorda, doet iets wonderbaarlijks. Dat het wonderbaarlijk is, beseft de lezer pas echt wanneer zich iets miraculeus van een nog hogere orde voltrekt.
 
(vrijdag gepubliceerd op Neder-L)